Terug



Tekst uitgesproken door Petri Leijdekkers op 14 oktober 2012 in de RUIMTELA te Houwerzijl bij de opening van '4:1' met werk van Els van 't Klooster, Alie Waalkens, Wouter Nijland en Herman van de Poll:


De veelbelovende ruimte van het abstracte vlak

Is abstracte kunst uitsluitend decoratie omdat er geen voorstelling is? Iets nietszeggends, zoals je ook soms van kunstcritici hoort? Een kunstvorm die stamt uit de tijd van na de oorlog en uitsluitend als een politiek statement voor de vrijheid gold? Of is aan de abstracte kunst iets te beleven dat even dicht bij de samenleving staat als een schokkend realistisch schilderij van bijvoorbeeld Ronald Ophuis of de grote wandschilderijen van David Hockney die je nu in Keulen kunt zien? Bestaat een abstract werk uitsluitend voor de verwende collectioneur en een figuratief voor iedereen?

Ik begin maar meteen met de politiek. Dit keer niet met de schrijnende houding ten opzichte van kunst van politici in de vorige kabinetsperiode, inclusief de premier, die ons toch de moraal zouden moeten leren (zoals Goethe (1749-1832) deed, die politicus was én dichter, of de Ier Burke (1729-1779), staatsman en filosoof, bedenker van de esthetiek van het sublieme), maar met het gebaar van Jan Marijnissen die als een van de weinige bekende politieke personen in Nederland, wél de betekenis van de beeldende kunst voor het voetlicht durft te brengen. Hij maakte een keuze uit de kunstcollectie van het museum in Oss en stelde die onder de provocerende titel ‘Linkse Hobby’ in dat museum ten toon. In deze expositie zien we schilderijtjes uit de Haagse school samen met werken van Bram Bogard, Ton Frenken, Reinier Lucassen, Carel Visser en een groot expressionistisch doek van Eric Andriesse met in zwart getekende bloemen op een rode achtergrond. En behalve een schilderij van Ronald Ophuis hangt er ook een werk van Jan Schoonhoven, groot in zijn witheid en de regelmaat van het reliëf. Terwijl Ophuis je meeneemt in een Afrikaanse werkelijkheid van een groep zwarte mensen op een bank bij een huis, waarbij onze associatie sterk door het beeld wordt gestuurd, laat het werk van Schoonhoven je absoluut vrij. Je wordt opgenomen in de open ruimte, de cadans van het wit als in het monotone, maar zuigende ritme van muziek van Steve Reich. Kijkend in dat wit en de regelmaat van het raster, verdwijn je zelf en wordt opgenomen in de abstracte sfeer van het werk. Het lost op en maakt je vrij.
Heeft deze kunst het onderspit gedolven in het rumoer van het harde geluid en de bewegende beelden? Het platte reality drama van alledag? Of juist niet?
In elke geval niet in de ogen van Jan Marijnissen. Hij brengt juist de veelzeggendheid van de stille niet bewegende beeldende kunst naar voren, als steun voor de moraal.

Kunst ordent. Dat zie je in het geschilderde landschap, in het stilleven en portret. Het laat weg, voegt toe en bouwt zo een nieuwe wereld. Maar het radicaalst gebeurde dat op weg naar de abstracte kunst, eerst abstraherend, glijdend - gestileerde natuur - en vervolgens volledig abstract op haar weg naar een concrete, nieuwe werkelijkheid. En dat laat deze expositie in de RUIMTELA ons zien.

Opgevoed door Mondriaans appelboom kwam ik van de expressieve vormentaal van de natuur in die van de abstractie. Van Doesburg deed daar een schepje bovenop: hij concretiseerde het schilderij tot een wereld in zichzelf, die niet meer terug te brengen was naar waar die bij Mondriaan vandaan kwam. Hoe deed Van Doesburg dat? Hij nam het vlak en ritme van het schilderij als uitgangspunt om daarop verder te borduren zoals in zijn Compositie met drie schilderijen (1920) of aritmetische compositie (1930). Het begrip ‘logisch’ deed zijn intrede en bracht een scheidslijn tussen natuur en schilderij. Het kunstwerk werd zo een logisch organisme, een wereld op zichzelf die voortkwam uit de systematische ordening van de natuur, maar deze achter zich had gelaten. Het kunstwerk was een object met eigen visuele wetmatigheden geworden. Iemand die dat toen – in de jaren twintig en dertig - al extreem doorvoerde was de Pool Wladislaw Strzeminski (1893-1952). Zijn schilderkunst en grafisch ontwerp noemde hij ‘unisme’, een reine eenheid waarin beeld en werkelijkheid volkomen samen vielen, ook die van het beeld en schilderij - eerst door de pasteusheid van de verf en verdichting van de vormen en na 1930 door zijn modulaire aanpak van contrasterende kleuren. Het schilderij werd een object, volledig op zichzelf. Het zwarte vierkant van die andere Pool, Kazimir Malevich (1879- 1935), heeft daar niet zoveel mee te maken omdat dat werk het icoon wilde zijn van een geestelijke wereld en dus bleef verwijzen naar iets buiten zichzelf. Bij Sztreminsky was het beeld volkomen op eigen benen komen te staan.

De plek waar deze nieuwe dingen werden onderwezen was het Bauhaus met docenten als Johannes Itten, Wassily Kandinsky, Paul Klee, Laszló Moholy Nagy en anderen. Kleur, vorm, structuur en materiaal vormden de exclusieve basis van het artistieke denken. Zeer precies beschreven ze elk voor zich hun methodiek van dit nieuwe kijken, zoals daarvoor kunstenaars deden van de werking van kleur en ruimte in de natuur.

Je zou kunnen zeggen, dat abstracte kunst een uiting is van enthousiasme, een geweldig optimisme nadat de oorlogen waren uitgewoed. Het was een zoeken naar iets nieuws, een nieuwe wereld, een nieuwe ordening van het bestaan. Het is dan ook geweldig om te weten dat Mondriaan, nadat hij op 3 oktober 1940, 68 jaar oud, in New York gearriveerd was, onmiddellijk aan zijn Europese vrienden schreef, dat hij bij aankomst het opwindende gevoel had dat hij in zijn eigen schilderijen was beland. De streng geschilderde ordening van zijn werk vormde nu zijn omgeving. Voor het eerst verwees de werkelijkheid waarin hij zich bewoog naar zijn schilderijen, zonder dat hij daar, zoals in zijn Parijse atelier, zelf de hand in had gehad.
Maar er was meer. In de systematische stad Manhattan heerste een intense dynamiek. Het geconstrueerde grid van elkaar loodrecht kruisende straten en avenues bruiste van nieuw leven en geweldige muziek. Het zette Mondriaan aan om in 1942 in zijn werk andermaal een grote stap te doen: het onvoltooide werkstuk ‘Victory Boogie Woogie’. In dit werk maakte het strenge zwart in de lijnen plaats voor dansende stukjes kleur.
Vormde New York voor Mondriaan een stedelijke wereld die hem deed denken aan zijn werk, Van Doesburg was doorlopend bezig om op grond van zijn geschilderde beelden zowel geestelijk als fysiek door middel van geschreven teksten, typografische ontwerpen, tijdschriften en architectuur, een nieuwe wereld te vormen. In 1928 richtte hij in Straatsburg samen met zijn collega’s Arp en Sophie Taeuber het beroemde Café Aubette in. Dat werd een moderne ruimte om te dansen en te drinken met een bioscoop, café en restaurant en een zaal om lezingen te houden en te dansen, volledig opgedeeld in vlakken, diagonale lijnen en de kleuren rood, geel en blauw.
De pioniers van het Nieuwe Bouwen – Le Corbusier, Gropius, Wiebenga en Oud - toonden hun gebouwen bij voorkeur van bovenaf, als een ordening van blokken, te zien vanuit het vliegtuig in de lucht. En ook daar kunnen we deze kunst niet los zien van het optimisme van de nieuwe vindingen, de techniek. Maholy Nagy bouwde zijn roterende constructies van licht en schaduw en in het Bauhaus-theater in Dessau vertaalde de schilder en beeldhouwer Oskar Schlemmer het onderwijsconcept van Gropius en Itten in dansende gestalten. Triadische bewegingen van de ideale bouw en ruimte in een ballet van gedaantewisselingen van mechanische figuren. Het was een spel van cirkel, driehoek en vierkant, en de kleuren geel, roze en zwart waarin de abstractie van het functionele en de expressieve kwaliteiten van de menselijke figuur werden uitgebeeld.
Abstracte kunst is een hoge vorm van idealisme.

Na de tweede grote oorlog zagen we eenzelfde volgorde als die we net beschreven: Opnieuw eerst expressionisme, Pollock en Appel, gevolgd door planmatige helderheid, Kelly, Judd en Lewitt. In de jaren zestig toen de ruimtevaart zijn eerste sensationele beelden prijsgaf en we aan de TV gekluisterd de spanning voelden van de count-down -3 – 2 – 1 - Zero -, kwam de kunstbeweging ZERO en in Nederland NUL met de roterende schijven van Mack, de spijkers van Uecker en de witte werken van Manzoni, Jan Schoonhoven en Peeters. De werkelijkheid van NUL was de regelmaat, de herhaling en het ritme van de industrie, het glimmende metaal, elektrisch licht, geluid en beweging. Maar ook de eindeloze ruimte, de meditatie in het witte en blauwe vlak van Yves Klein en het ‘Who‘s afraid of red, yellow and blue’ van Barnett Newman.

Het voert te ver om in het verband van vanmiddag dieper op deze dingen in te gaan. Wat ik wil zeggen is, dat het abstracte beeld veel meer informatie biedt over de wereld waarin we leven dan het realistische. Alleen je moet er wat voor doen. Toen ik voor het eerst werken zag van Peter Struycken (in 1966 in het Groninger Museum) was ik verbaasd over de werking, de aanwezigheid van vlakken verdeeld in glanzende – lakverf - zwart-wit systemen. De composities werden net zoals die van Van Doeburg, gevormd door een gecalculeerd systeem. Ik leerde ernaar kijken door te tellen, vormen af te wegen en zo de wereld te zien waar Struycken mij bracht. Later deed hij dat op een veel grotere schaal met zijn computer.

Alle exposanten in ‘4:1’ werken met abstracte vormen en horen thuis in het verhaal dat ik hiervoor vertelde:

Herman van de Poll
Woont en werkt in Smilde. Studeerde in 1991 af aan Minerva. Het woord ‘subliem’ maakt deel uit van zijn streven, zijn zoektocht naar de oneindigheid in het geschilderde in aansluiting op het sublieme van de peilloze leegte zoals door Edmund Burke werd beschreven. Zijn werk bestaat uit rasters in grijs en zwart-wit, sommige in kleur. Het grid vormt een identieke regelmaat die zich buiten het schilderij lijkt voort te zetten. De sfeer van dit continuüm brengt rust.

Alie Waalkens
Woont en werkt in Groningen. Studeerde in 1989 af aan Academie Minerva. Ze is gefascineerd door het beeld van de repetitie, de herhaling van korte horizontale streepjes en verticale lijnen als in het beeld van een barcode of printplaat, direct, zonder onderschildering op het linnen vlak. Het werk is esthetisch en brengt ons door zijn regelmatig ritme in een voortdurend NU.

Els van ‘t Klooster
Woont en werkt in Arnhem. Studeerde in 2007 af aan de kunsthogeschool Artez in diezelfde stad. Al tijdens haar studie zocht ze het in onderzoek naar balans, het zoeken naar het evenwicht van lijnen en vlakken en kwam zo terecht bij De Stijl. Het is de beeldtaal van Mondriaan en Van Doesburg die haar fascineerden en aanspoorden om die taal in haar eigen werk na te gaan. Het werd een onderzoek naar horizontalen, diagonalen, verticalen en vlakken, toetsing van de ruimten in het platte vlak. Dat bracht haar er toe om in deze expositie vanuit het schilderij de omringende ruimte binnen te treden. Hier in de RUIMTELA durfde ze het aan om de absis van het witte kerkinterieur met horizontale en verticale banen zwart en rood bij haar schilderijtjes te betrekken. Met een geweldig resultaat.

Wouter Nijland
Studeerde in 2007 af aan Minerva. De aleatorische (dobbelsteen-) compositie (term uit de muziek) is een compositie die in grote lijnen is vastgelegd maar binnen die kaders zich overgeeft aan het toeval. Ook Peter Struycken werkte hiermee en gebruikte de computer om dit onder controle te houden: gecontroleerd toeval. In muzikale vormen, lijnen en kleur waarin hij zich baseerde op het coloriet in de werken van de andere exposanten, creëerde hij in deze kerkruimte een orkestrale sfeer van artistieke eenheid, een sfeer van verbondenheid en symboliek zoals toen de abstracte kunst ontstond.

K09
Zowel Alie Waalkens, Herman van de Poll als Wouter Nijland exposeerden eerder in K09 in de stad. Het is een bestuurlijke misser van de stad Groningen om dit podium van de abstracte kunst dat zich in de afgelopen jaren met een consequente voortgang heeft ontwikkeld tot een uitmuntend niveau, nu te willen laten vallen zoals blijkt uit de Kadernota Cultuur die door het stadsbestuur aan de gemeenteraad is gestuurd, met als argument, dat voor dit soort kunst in de stad Groningen een te klein publiek is. De uitvoering van dit besluit is alleen tegen te houden als ieder van ons een brief of mail stuurt aan de Groningse Raadscommissie voor Onderwijs en Welzijn, t.a.v. de griffier mevrouw Greet Mulder, Gemeente Groningen, postbus 20001, 9700 PB Groningen, email: greet.mulder@groningen.nl. Dit moet snel, want begin november neemt de Gemeenteraad een besluit over de nota.

Petri Leijdekkers
14/10/2012

Terug


inlichtingen - Roel Hoogenboom/ M +31(0)6 – 1669 2184/ E roel@ruimtela.nl