Tekst uitgesproken bij de opening van '5xBASiC' op 9 september 2012 in de RUIMTELA door Jacob van der Veen, curator kunstruimte09:

'Inspiratie is voor amateurs. De rest van ons gaat gewoon aan het werk' (Chuck Close). 'Ook een amateur kan een mooi schilderij maken' (adviseur van de Kunstraad Groningen). Beide uitspraken zijn waar en voor kennisgeving aan te nemen als het niet zo zou zijn dat beide uitspraken in een notendop de problemen waar de beeldende kunst heden ten dage mee te maken heeft illustreert.

Natuurlijk kan een amateur een mooi schilderij maken. De vrienden en kennissen van de betreffende amateur zullen vast waardering kunnen opbrengen voor het gemaakte object. En wellicht ook nog mensen buiten de vrienden en kennissenkring. Maar wat is mooi en wat is niet mooi? En belangrijker: in hoeverre is dit een criterium voor goede beeldende kunst? Niet dus. Mooi is geen criterium. Helaas ligt er achter deze uitspraak – een amateur kan ook een mooi schilderij maken - een hele wereld aan opvattingen over de waarde en betekenis van beeldende kunst. Een proces dat al enkele decennia aan de gang is, maar bijvoorbeeld een hoogtepunt vond in het gedachtegoed van een CDA-politica, waarvan de naam me is ontschoten, die een jaar of 6-7 geleden in een ‘Cultuurdebat’ in de Tweede Kamer opmerkte dat ze zelf in de avonduren borduursels maakt waarvan menigeen zegt: dat is mooi, dat zou je eens moeten laten zien. Dit was de opmaat voor de vermenging van amateurs en professionals vanuit het idee dat kunst en cultuur van en voor iedereen is: een populistische vertaling van ‘Iedereen Kunstenaar’ van Joseph Beuys. Nog even en er wordt ambtelijk iets bedacht in de trant van: bent u minder dan 17,5 uur per week aan het schilderen dan bent u een amateur, is dat meer dan bent u een semiprofessional en als dit meer is dan 21,2 uur bent u een professional. Een vertaling van het idee dat er slechts een gradueel verschil zou zijn tussen amateurs en professionals.

Het is een onderdeel van de inkapseling van beeldende kunst in de Nederlandse samenleving. Een inkapseling die alles te maken heeft met de regel- en managementcultuur die de ‘boven ons gestelden’ een enorme klauw op de kunstwereld verschaft. En wel in de vorm van ‘nuttigheidscampagnes’ waarin de ‘rol van de kunstenaar in de samenleving’ en de ‘functie van kunst voor de maatschappij’ centraal staan. En die rol en functie wordt op diverse manieren ingevuld: de kunstenaar als ondernemer, de kunstenaar als sociaal-cultureel of maatschappelijk werker, de kunstenaar als educator, de kunstenaar als clown op bedrijfsfeestjes, kunst als sociaal smeermiddel, kunst als educatiemiddel, kunst als economisch vehikel, kunst de wijken in. In 1958 schreef Gerard Reve al: ‘Nederland is een kunstvijandig land. Het aanvaardt alleen wat maatschappelijk nuttig en opbouwend is. En dat is kunst nu eenmaal hoogst zelden’. Sindsdien is het – en vooral de laatste paar jaren – alleen maar erger geworden.

In de verantwoording voor de verwerkelijking van hun ideeën verwijzen managers en poltici naar ‘de omstandigheden’ of ‘de tijdgeest’ die vraagt om het soort ‘oplossingen’ die zij voorhanden hebben. Welnu, ‘omstandigheden’ noch ‘de tijdgeest’ praten en vragen dus ook niks. Het zijn de managers, de ondernemers, de politici, de cultuurambtenaren zelf die hier aan het woord zijn en zelf de omstandigheden en problemen creëren die vervolgens door hen moeten worden opgelost. De Tijdgeest is – om met Gerrit Komrij te spreken – een stuk kauwgum dat naar believen elke gewenste vorm kan krijgen. En de gewenste vorm heb ik u hierboven kort geschetst.

Kort geleden werd ik gewezen op een website getiteld ‘Kunst wordt terug Kunst’. Het bleek te gaan om een website gelieerd aan een nieuw blad ‘Kunst wordt terug Kunst’. Opgezet naar aanleiding van lezingen van de kunstenaar Luciano Fabro, die stelt dat de hedendaagse kunstenaar zijn vanzelfsprekende bestaansvoorwaarden is kwijtgeraakt en ook niet in staat blijkt dit opnieuw te formuleren. Mede de oorzaak waarom dit nu van hogerhand wordt ingevuld. De beeldende kunstensector heeft zelf de deuren wijd open gezet voor niet-kunstgerelateerde invloeden op de manieren die hierboven kort werden geschetst. Jaren geleden vroegen we ons al eens af waarom de ongebreidelde bemoeizucht van buiten specifiek de beeldende kunst treft en niet bijvoorbeeld de muziek of de literatuur. Er is immers geen site genaamd ‘Literatuur weer terug Literatuur’ of ‘Muziek weer terug Muziek’. Iemand zei dat dit misschien te maken zou kunnen hebben met het feit dat schrijven en musiceren eerder als een ‘vak’ wordt gezien, in tegenstelling tot het maken van beeldende kunst. Immers, iedereen kan een potlood vasthouden en een lijn op papier zetten, maar vioolspelen niet. Ik vind het geen overtuigend argument, maar gezien de hausse aan amateurkunst die overal wordt tentoongesteld en ook verkocht zou er wellicht iets van waarheid in kunnen schuilen. Het is een voortvloeisel van het graduele onderscheid tegenwoordig tussen amateurs en professionals.

Dat brengt ons weer tot de uitspraak van Chuck Close. Amateurs hebben inspiratie en de rest – dat wil zeggen de professionele kunstenaars – zijn gewoon aan het werk. Het is het verschil tussen ‘lekker schilderen’ van de amateur en het experimenterende en onderzoekende van de professionele kunstenaar. Het is het verschil tussen een amateursterrenkijker met een telescoop en de wetenschapper die het heelal bestudeert. En in het werk van Chuck Close zelf ziet men waar jarenlange toewijding en studie - van waaronder dat wat kunstenaars voor hem hebben gemaakt - toe leidt: indrukwekkende schilderijen, waarbij de vraag of het mooi is of niet mooi volstrekt irrelevant is. Werk van een professional. En dan kan men vaststellen dat het verschil tussen amateurs en professionals geen graduele, maar een essentiële is. En dat zou in discussies over beeldende kunst veel meer moeten worden benadrukt.

Waarom heb ik u dit allemaal meegedeeld? Dat is om twee dingen hier en nu te benadrukken.

In de eerste plaats om het belang van een particulier initiatief als de RUIMTELA te verwoorden. Niet gehinderd door enige overheidsbemoeienis van betweterige ambtenaren wordt hier gedaan wat essentieel is – om in managerstermen te spreken: de corebusiness gerealiseerd – namelijk het tonen van interessante beeldende kunst in zo goed mogelijke omstandigheden. En de rol en functie van kunst laat zich hier natuurlijk ook zien. Er komt publiek kijken naar het werk en luisteren naar een inleiding. En het publiek mag zichzelf een mening vormen over het werk. Men mag het mooi vinden of niet mooi, interessant of niet interessant, men kan er door worden beroerd of niet, aan het denken worden gezet of niet, dat is aan het publiek zelf. In ieder geval wordt u de mogelijkheid daartoe geboden. En de aanwezigheid van de kunstenaars zelf biedt u zelfs de gelegenheid vragen over het werk te stellen en uit de eerste hand antwoorden te krijgen. Daar hebben we geen fanfarecorps of een buurtbarbecue bij nodig. Sterker nog: dat zou alleen maar storen. Initiatieven als deze moeten worden gesteund alleen al vanwege dit tegenwicht tegen dat ze bieden.

In de tweede plaats om te zeggen dat juist de beeldende kunst die hier nu wordt ten toongesteld enorme last heeft van wat we voor het gemak maar de popularisering van de beeldende kunst noemen. Het is kunst die zich bezighoudt met de fundamenten ervan: met materiaal, de mogelijkheden van het materiaal, met kleur, licht, ruimte, constructie, structuren, patronen, ideeën. Kunst waar zowel visueel als cognitief van alles aan te ontdekken is. Kunst met een onderzoekend en experimenterend karakter. Ook een soort kunst die gelukkig weer steeds meer in de belangstelling komt te staan, gezien recente presentaties in den lande van klassiek-moderne en hedendaagse opvattingen. Men wordt denk ik wat moe van de populaire vluchtigheid.

Onder de titel ‘Basic’ is hier werk te zien van 5 kunstenaars. Is er een thema of concept op grond waarvan deze 5 hier bij elkaar zin gebracht? Alle 5 wonen en werken ze in Utrecht. Dat zal wel geen toeval zijn, maar iets als een Utrechtse School of iets dergelijks kan ik er niet in ontdekken. Ook niet een echt thema of concept, behalve dan in de titel ‘Basic’. Is dat erg? Nee, dat dacht ik niet. In veel exposities met wel een thema of concept figureert het werk van kunstenaars vaak als illustratie van dat thema. Dat is toch meestal een kwestie van herkenning voor de kijker en bezoeker: ja, het klopt, het thema is landschap en we zien landschappen, nietwaar? Dat maakt exposities met een meer open karakter wel zo interessant. De tentoongestelde kunst moet natuurlijk ook weer niet zo maar bij elkaar gebracht zijn, dat is weer het andere uiterste. En ratjetoe aan stijlen, opvattingen en beelden, zoals zo vaak op allerlei plekken te zien is, daar krijg ik persoonlijk meestal hoofdpijn van. Met een open karakter bedoel ik dat de expositie een ontdekkingstocht kan zijn. De samensteller heeft daarbij gepoogd kunstwerken bij elkaar te brengen, die ook iets over elkaar zeggen, zoals dat zo mooi heet een dialoog met elkaar aangaan. Meer of minder intuïtief zijn kunstenaars bij elkaar gebracht die vanuit overeenkomstige opvattingen en een onderzoekende attitude zeer verschillend werk maken of vanuit verschillende uitgangspunten vergelijkbaar werk. Dat komt tot uiting in materiaalgebruik, kleur, constructie, vereenvoudigde vorm, structuren en patronen, kortom in een expositie waarin het geheel meer is dan de som der delen.

Als we toch iets gemeenschappelijks willen noemen dan zou het zijn: concentratie. In het werk van alle deelnemende kunstenaars is dat in grote mate aanwezig: in de gegoten lakpatronen van Rene Eicke, de fundamentele schilderwerken van Bas Lobik, die soms meer dan een jaar nodig hebben om tot het eindresultaat te komen, in de zorgvuldige constructies van Alf Slegers – een kwestie van het vinden van de juiste verhoudingen en maten – in de ogenschijnlijk intuïtieve beeldcombinaties van Emmy Beenken en het werk van Peter van der Horst dat voor welhaast 99% een zaak van concentratie is. Concentratie en aandacht zou ik zeggen. Hetzelfde wat de deelnemers ook van u als kijker vragen. En dat brengt ons terug bij Luciano Fabro die stelt: de oorsprong van alles is aandachtig zijn.

Jacob van der Veen
09/09/2012

inlichtingen - Roel Hoogenboom/ M +31(0)6 – 1669 2184/ E roel@ruimtela.nl